![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Een 3 km geleid bezoek van de landschapstuinen van Péruwelz op zondagen 01/06, 29/06, 06/07, 24/08, en 12/10 2008 van 15 tot 18 uur. Inschrijving (12 €), parc de La Naïade tel 0475/247784 info@naiade.be of bij Parc naturel des Plaines de l'Escaut Tél. : +32 (0)69 77 98 10 parcnaturel@plainesdelescaut.be Voor groepen, buiten datum, eveneens geleid bezoek op aanvraag met Nederlandstalige gids. Editie Historische Woonsteden & tuinen. Nr.147 De landschappelijke tuinen van Péruwelz. In het hartje van Péruwelz zorgen de waterpartijen en de slingerpaden in het park van de Najaden voor een perfecte, landschappelijke tuin. Door Annabelle Pinon Vertaling: Hilde Van Raamdonck Péruwelz, Etymologie. Vóór het bestaan van een kadastraal plan – het zogenaamde «Popp-plan» – dat gecreëerd werd in de 19de eeuw, in de tijd van de onafhankelijkheid van België, en dat aansloot bij de plannen van het kadaster uit het Napoleon- tijdperk en de Hollandse periode, was het de gewoonte een lokaliteit een naam te geven die verwees naar één of meer kenmerkende karakteristieken van die plaats. Ze konden verwijzen naar bepaalde topografische gegevens, naar historische of geografische elementen. Dankzij de verschillende, bewaard gebleven wettelijke actes van vóór 1830, weten we dat de localiteit «Péruwelz» in de loop van de geschiedenis wel een twintigtal verschillende namen toegekend kreeg, waaronder «Perwes», «Pérues», «Perwez» en zelfs «Pierwes». Volgens taalkundigen zit er een constante in deze verschillende benamingen, die telkens samengesteld zijn uit twee herkenbare lettergrepen. Het eerste deel van de naam is afgeleid van het woord «pier» of «per», verwijzend naar het overvloedig aanwezig gesteente in de Peruwelzische bodem onder de vorm van een kalksteenlaag die, als hij eenmaal bewerkt wordt, een zwart gesteente oplevert. De tweede lettergreep zou naar het woord «welz» verwijzen, en kunnen refereren naar de talrijke moerassen, een visvijver, een ondiepe doorwaadbare plaats, een rivier of een drinkplaats. Water is inderdaad het andere essentiële element in de bodem van deze stad, waaruit later de talrijke natuurlijke bronnen opwelden en het begin vormden van een belangrijke grondwaterstroom. Er ontstond bovendien een klein riviertje, de zwarte Verne, die het landschap van Péruwelz doorkruist en zo bodem en weilanden irrigeert. Vanaf haar ontstaan kon deze stad rekenen op deze twee dominante eigenschappen van de streek, die beslist ook hun stempel gedrukt hebben op de ontwikkeling van de landelijke parken in de regio. Het vele en uitgestrekte groen waar de elzenboom vaak opvallend aanwezig is, en het overal aanwezige water, soms vertegenwoordigd door kunstmatig aangelegde bronnen, moerassen en vijvers getuigen van de inspiratie van en het respect voor diegenen die deze tuinen aanlegden. Industrialisatie Op 17 februari 1817 bepaalt een koninklijk besluit van de Hollandse Provinciale Staten het plaatsje Péruwelz uit te roepen tot stad. Deze symbolische herkenning leidt tot sociale wijzigingen en de politieke en economische evolutie die er op dat moment al aan het ontwikkelen was. De vrij plotse groei van Péruwelz, maar ook van andere Belgische steden van toen, moeten we inderdaad plaatsen in de context van de industriële evolutie, die zijn oorsprong vond in Engeland, en van waaruit verschillende indrukwekkende technische nieuwigheden – zoals de stoommachine bijvoorbeeld – het continent veroverden. De stad haalt haar voordeel uit deze technologische vooruitgang en ontwikkelt de plaatselijke wolindustrie, die wel al aanwezig was in de middeleeuwen, maar zich nu pas ontplooit en evolueert tot de belangrijkste industrie in Péruwelz in de 19de eeuw. De bloei van andere bedrijfsactiviteiten zoals de productie van breigoederen, de leerlooierijen, de suikerproductie, de brouwerijen en de exploitatie van de plaatselijke steenhouwerijen profiteert mee van deze vooruitgang. De bourgeoisie is welvarend aan het begin van deze kapitalistische economie die ze te danken heeft aan de industriële evolutie. Ze drukt haar stempel op de stad Péruwelz, en in haar drang om haar rijkdom te kunnen etaleren, worden er indrukwekkende en pompeuze bouwwerken neergepoot. Zowat overal duiken ineens particuliere herenhuizen en patriciërswoningen met imposante façades die prachtige tuinen verbergen en soms behoorlijk uitgestrekt zijn. Zowel architecturale als natuurlijke creaties zijn tekenend voor die periode. Zo worden veel gevels versierd met neoklassieke eclectische motieven en art nouveau tinten, terwijl de tuinen logischerwijze de Engelse of landschapsstijl uitstralen. Edouard Simon (1825-1902) Hoewel de sociale en industriële evolutie bepalend waren voor de stedelijke ontwikkeling, zouden er toch zo geen veranderingen geweest zijn zonder de vernieuwende geest en de ambitie van burgemeester Edouard Simon. Tijdens zijn burgemeesterschap, in de periode van 1862 tot 1902, kende Péruwelz een heel belangrijke periode van urbanisatie en modernisering. Zo kwamen er onder zijn bewind straatlantaarns, werden er telefoonlijnen getrokken, nieuwe wegen aangelegd en kwam er een spoorwegverbinding. Edouard Simon zorgde ook voor de verfraaiing van de omgeving rond het oude kasteel , en gaf Louis Fuchs, een gerenommeerde architect die eerder al het park van het Klein Kasteel in deze stad aangelegd had, de opdracht om een park te ontwerpen dat tussen 1865 en 1895 aangelegd werd. Het park, met de vele bochten en waterelementen, voelt erg «Engels» aan. De burgemeester schonk het aan de stad en vandaag is het stedelijk bezit en draagt het de naam van zijn schepper. Het park is versierd met fonteinen, beeldhouwwerken en een art nouveau kiosk die gebouwd is door Léon Pavot, een leerling van Victor Horta. Het is een pronkstuk voor het hele landelijke park van Péruwelz. Er bestaat vandaag geen enkele twijfel dat het patrimonium en de plaatselijke tuinen veel te danken hebben aan Edouard Simon, aan Louis Fuchs en aan de landschappelijke ontwerpstijl waar ook recentere parken zoals die van het kasteel «Roseraie», het kasteel Duez en de Najaden klaarblijkelijk hun inspiratie haalden. De landschapstuin Lijnen en bochten De oorsprong van de zogenaamde geometrische tuinen is terug te vinden in de Italiaanse Renaissance en indirect dus ook in de Grieks-Romeinse Oudheid. Kenmerkend voor deze tuinen, waarvan die van Kasteel Belvedere één van de eersten is, is dat ze aangelegd werden in functie van wandelpaden, symmetrische terrassen en her en der verspreide versieringen. Daarnaast, en daarin verschillen ze van de Franse tuinen, introduceert de Italiaanse Renaissance het spelen met niveauverschillen, wat op zich nog eens benadrukt wordt door verschillende terrassen. Het is precies uit deze periode dat er theorieën ontwikkeld werden rond architectuur en landschapsinrichting, wat maakt dat er verschillende modellen verspreid werden. De komst van de boekdrukkunst versterkte dit verschijnsel nog meer vanaf het einde van de 15de eeuw. Met de Italiaanse oorlogen van 1494 en 1524 en de komst van Italiaanse kunstenaars ondergingen de eenvoudige, rechthoekige Franse tuinen een grote invloed vanuit Italië en werd inspiratie gevonden in transalpijnse modeltuinen. Wat niet wil zeggen dat ze klakkeloos gekopieerd werden, want de architecten van de Franse school hielden voor hun terrassen toch graag vast aan een vlak perspectief. Ze sprongen ook iets spaarzamer om met versierselen als fonteinen en dergelijke. In de 15de eeuw vind je alle kenmerken van de zogenaamde Franse stijl terug in de tuinen. André Le Nôtre (1613-1700) die onder meer de grote werken uitvoerde in Vaux-le-Vicomte en in de tuinen van Versailles en zich profileert als dé grootste ontwerper van een stijl die tot in de 19de en de 20ste eeuw ongeëvenaard blijft . De paden, de symmetrie, de fonteinen en de kunstige terrassen zijn nochtans een metamorfose van een wel degelijk Franse stijl, maar met toegevingen aan en invloeden van de Italiaanse aanpak. Karakteristieken van de landschapsstijl De landschappelijke tuin, ook «Engelse tuin» genoemd, naar zijn authentieke oorsprong, ontstaat onder meer uit het absoluut weigeren van die overdreven strenge en rechtlijnige ingreep op het landschap. Een nieuwe stroming ontstaat, met wortels in de Oudheid en de Middeleeuwen, in het Engeland van begin 18de eeuw. Heimwee naar de vrijheid, de ongerepte en soms zelfs wilde natuur speelt een grote rol. Meestal wordt dit beschreven als «de pittoreske stijl». Met zijn verschillende inspiratiebronnen is de Chinese tuin ongetwijfeld een van de belangrijkste voorbeelden en wordt de voorliefde voor waterpartijen en slingerende paadjes mee overgenomen. Daarbij komt ook nog eens – onder de invloed van de romantiek –het teruggrijpen naar ruïnes, tempels en andere oude materialen. De tuin verschijnt nu als een opeenvolging van natuurlijke taferelen die zich één voor één onthullen langs slingerpaden, die de bezoeker doen dromen en voor onverwachte ontdekkingen zorgen. Het onregelmatige van deze opzet is in de eerste plaats bedoeld om de ruimte een zo natuurlijk mogelijk uitstraling te geven , terwijl er van de andere kant “vergeten” wordt om rekening te houden met het geometrie van die tijd. Deze dissymmetrie laat toe om verrassingseffecten te integreren in het landschap. Het spel van licht en schaduw bijvoorbeeld of onverwachte perspectieven. Geuren en geluiden maken ook deel uit van deze theatrale bewerking van de natuur. Daar bovenop komen nog eens de kronkelende lijnen, de natuurlijke niveauverschillen van het terrein die een belangrijke rol spelen in het geheel. Het park zal dus bij voorkeur glooiend gemaakt worden, om het landschap zo goed mogelijk te kopiëren en, waar nodig, kunnen hier en daar wat heuveltoppen aangevoerd worden. Al die «voorzieningen» in de tuin roepen bij de wandelaar nostalgische en exotische gevoelens op, met een terugblik op de architectuur uit het verleden en de herinnering aan contreien van weleer. Ze kunnen erg uiteenlopend zijn : de meest frequente kunnen al dan niet kunstmatige ruïnes zijn, een kiosk, een grot, een Griekse of Romeinse tempel of een Aziatische pagode. Water is een steeds aanwezig element in een landelijke tuin, soms in de vorm van een rustige vlakke watervlek of een slingerende beek en soms als een waterval of een stromende watermassa. Ze maken hoe dan ook emoties los, sterke gevoelens, uitgelokt door het gekabbel, het gefluister en het geruis van een waterval. Het omgekeerde kan ook, en aan de oever van een stille vijver straalt het water dan een intense rust uit. Het uitzicht is soms nog mooier door reflecties in het wateroppervlak of de omringende begroeiing, terwijl een subtiele geur zich over de hele tuin verspreidt. De kwantiteit en kwaliteit van gecultiveerde geurextracten is aanzienlijk toegenomen en sluit zich aan bij de bomen, die al eeuwenlang de enige component waren in de tuinen. In de 18de eeuw ontwikkelt zich een voorliefde voor bijzondere of exotische soorten. Op dat moment staan de tuinen vol met de meest uiteenlopende bloemen en planten, die voornamelijk uit de Midden-Oosten en Amerika afkomstig zijn. De Oosterse plataan bijvoorbeeld, de blanke ceder, de laurierboom enzomeer... groeien voortaan in deze landelijke tuinen. Mensen krijgen ook steeds meer interesse in bloemen en bloemsoorten. Al snel komen ook stenen en rotsen, die eigen zijn aan een onregelmatig of grillig decor, in de tuinen terecht. De Engelse tuin, of landschapspark, onregelmatig of met Chinese inslag, onthult geleidelijk de verschillende taferelen die de wandelaar op zijn weg tegenkomt, langs plekjes met een vrije, bijna wilde natuurlijke uitstraling, soms een tikkeltje theatraal door het ritmisch spel van de waterpartijen, de mix van materiaal en de verborgen perspectieven. Het park van de Najaden In het begin van de 20ste eeuw gaf dokter Albert Bouckaert aan Léon Rosseels, een Belgische landschapsarchitect, de opdracht om een park te ontwerpen voor zijn eigendom aan de Avenue de la Tour de Londres – vandaag de Boulevard Leopold III – in Péruwelz. Die bevond zich in 1927 op het terrein van een oud woud waar het jagerspaviljoen vandaag nog altijd een stille getuige van is. Toen de eigenaar van het pand overleed, in 1960, werd het huis en een deel van het park – tweederde – gekocht door een industrieel, terwijl de rest van de tuin en het paviljoen in handen van de erfgenamen bleef. Het duurde tot 1986 voor de huidige eigenaars, de heer en mevrouw Luc Pinon, het hele terrein, dat er al jarenlang verlaten bijlag, overnamen en het park, aan de hand van goedbewaarde plannen van Rosseels, in zijn originele staat konden herstellen. Het samenbrengen van diverse talenten – een agronoom en een geograaf met een passie voor deze plek – heeft het mogelijk gemaakt het terrein te «redden» en met succes te restaureren. Een vredevol toevluchtsoord Zodra je aan het hek komt, en naarmate je naar binnen gaat, wordt er een glooiend park zichtbaar, met waterpartijen en kronkelige boorden, met bloembordessen en fonteinen. Het grootste meer, dat sterk op een 8 lijkt, is verbonden met twee kleinere waterpartijen, die een golvende lijn volgen. Léon Rosseels speelde hier werkelijk de troeven uit van de natuurlijke bodem, door gebruik te maken van het prachtige, moerassige van de grond en de talrijke natuurlijke bronnen die ingesloten waren, met name de twee waterstromen, waarvan er één de grootste vijver versiert, terwijl de andere van achter een rots verschijnt, niet ver van het terras. De lange, kronkelende paden die het park omringen, benadrukken de mooie natuur, waar zoveel te zien en te ontdekken valt. De «rage» van de exotische plantensoorten en de plotse interesse voor arboreta – een «erfenis» uit de 19de eeuw die sterk contrasteert met bepaalde huidige trends die dwepen met inheemse soorten en alle ander groen weren – zetten dokter Bouckaert en Léon Rosseels aan om tal van vreemde planten naar hier te halen en ze te laten wennen aan ons klimaat. Het park van de Najaden kan vandaag prat gaan op 300 verschillende planten en bomen. Coniferen en loofbomen, zowel inheemse als exotische, diverse soorten bloemen en waterplanten staan vandaag nog steeds in dit park, en vormen een perfect en harmonieus geheel. En zo komen al die soorten, seizoen na seizoen, mooi tot hun recht. Of ze verdwijnen na verloop van tijd en maken plaats voor nieuwe scheuten. Mini-arboretum In de loop van de 18de en de 19de eeuw werden «speurders» de wereld rond gestuurd om zeldzame en bijzondere planten en bomen te melden. Besmet met dezelfde passie en enthousiasme werden ze omstreeks 1920 perfect bij ons geïntegreerd waarmee het park van de Najaden nu soms de titel van «mini-arboretum» krijgt. Tal van bloemensoorten (magnolia, lila’s, seringen, skimmia,...) en waterplanten (de wateriris, watermunt, waterlelies,...) staan vandaag mooi naast tal van statige en totaal verschillende bomen van exotische origine. Het geheel van deze flora zorgt in de lente en zomer voor een prachtig groen landschap. In de herfst volgt een bont spektakel van okerkleuren, terwijl de rijkelijk aanwezige coniferen in de winter mooi contrasteren met de kaal geworden loofbomen. Een aantal bijzondere soorten uit het park zijn toch even het vermelden waard: - Japanse ceder (cryptomeria japonica) - Californische cypress (chamaecyparis lawsoniana ) - Taxus of Venijnboom (taxus baccata «fastigiata») - Lijsterbes (sorbus aucuparia) - Fluweelboom (rhys typhina) - Zwarte populier (populus nigra pyramidalis) - Tranenden of Treurden (pinus wallichiana) - Zilverlinde (tilia tomentosa) - Gingko Biloba - Plataan (platanus) Meubelen en architectuur Het park dankt zijn naam aan het gelijknamig standbeeld dat in de tuin prijkt. Het bronzen beeld van 1,35 meter hoog, dat in 1992 gemaakt werd door Marie-José Aerts , geeft op een fantastische manier uitdrukking aan de geest van de landschapstuin, door het visuele beeld zelf en door haar verwijzing naar de Griekse mythologie. De Najaden (waternimfen) die volgens de Griekse mythologie de bronnen, rivieren en vijvers bewoonden, benadrukken nog eens dat water een essentieel onderdeel was en niet mocht ontbreken in een landelijke tuin. Volgens de Grieken beschermden ze de natuur, en meer bepaald de bloemen, de weilanden en de kudden. In Péruwelz is de Waternimf van het echtpaar Pinon de goddelijke beschermengel van het park. De vrouwelijke rondingen van het beeld halen ons de beelden voor de geest van de Chinese kronkelende bochtjes en de sensuele paden, de vijvers en de terrassen. Het is dan ook niet meer dan logisch dat dit bronzen beeld rond 1990 zijn naam schonk aan dit park, omdat het zo onlosmakelijk verbonden is alle kenmerken heeft van een typische en rasechte landschappelijke Engelse tuin. Op de einde van de wandeling ontdek je als wandelaar zitbanken, in hout of in steen, die uitnodigen tot een rustpauze om de overvloed aan natuurlijke taferelen, die zo waardevol zijn voor een landelijke tuin, te bewonderen. Achteraan in het park pronkt het jachtpaviljoen dat vandaag gerestaureerd is, en dat ons doet terugdenken aan de kostbare materialen van de Engelsen. Al deze architecturale elementen, of ze nu functioneel zijn of louter decoratief, dragen vanzelfsprekend bij tot de schepping van een Engelse tuin. Het park van de Najaden : een landschappelijke tuin ? Het park van de Naïaden onthult zich als één van de meest perfecte combinaties van de typische kenmerken van een landschappelijke tuin, zeker als je even stilstaat bij de standpunten van de grote Engelse landschapsarchitecten. William Kent (1685-1748), aanvankelijk schilder, ontwierp in het begin tuinen vol Grieks-Romeinse elementen; hij combineerde diverse scènes en taferelen. Al zijn verborgen paden, zijn gevarieerde geurige planten, het insluiten of opentrekken van ruimte in het park van Péruwelz, getuigen van zijn zoektocht naar eclectische indrukken. Als tegenreactie op de tuinen van die tijd – die in zijn ogen veel te saai waren – zocht William Chambers (1723-1796) in zijn creaties heel andere manier om te «animeren». Hij deed inspiratie op tijdens zijn expedities naar China vanwaar hij de typisch Aziatische kenmerken meebracht voor de Engelse tuinen. Achter de grootste vijver van het park van de Najaden ontdekken we inderdaad een kleine waterpartij die aangelegd is volgens de Chinese criteria. Met zijn onregelmatige vorm en omgeven door een Japanse ceder en rotsblokken. Om mensen nog meer uit te nodigen voor een wandeling, bracht Humphrey Rempton (1752-1818) nog een andere nieuwigheid aan, door de wandelpaden met gras te vervangen door paden met grint. Het zijn diezelfde paden die ook door het park van de Najaden lopen. Deze enkele voorbeelden volstaan om aan te tonen dat de tuin van Pinon in Péruwelz, ondanks het feit dat er bij het aanleggen rekening gehouden werd met de specifieke eigenschappen van de streek, uiteindelijk toch een bijzonder voorbeeld is geworden met de typische elementen van een landschappelijke tuin. Een passie om te delen Voor Luc en Paqui Pinon, die het park gerestaureerd en inmiddels een twintigtal jaren onderhouden hebben, ontbrak er iets, en sinds kort openen ze elke zondag in juni, juli en augustus de poorten voor het groot publiek. Er worden ook regelmatig seminars en cursussen georganiseerd, meer bepaald over het groeien, het snoeien of het stekken van fruitbomen. Het initiatief is een succes. Luc Pinon is een geboren docent en slaagt erin met zijn mix aan talent als eigenaar, tuinier en professor mensen te laten delen in zijn passie. Want een passie is het wel, als je weet dat het geheel al die tijd onderhouden is door het echtpaar alleen, met slechts heel af en toe een beetje hulp van een plaatselijke werkzoekende. Beetje bij beetje krijgt het park sinds 1986 zijn authentiek karakter terug. Onlangs werd het domein geklasseerd door de Waalse Regio; zo krijgt het publiek voortaan de kans om mee te genieten van de creaties uit het verleden. Besluit Als parel uit vervlogen tijden, groen patrimonium uit de jaren twintig, voelen ze in het park van de Najaden een toenemende interesse voor landschapsarchitectuur. Het moet gezegd dat deze kunstvorm lang genegeerd werd, hoewel hij even goed weergeeft – of zelfs nóg beter dan de schilderkunst, de beeldhouwkunst of de architectuur – hoe de mens tegenover de natuur stond. Het levend materiaal (water, bodem en flora) levert nooit identieke creaties op. Elke compositie is telkens weer anders. Het is wellicht nuttig om de rol van de landschapsarchitectuur eens opnieuw aan de orde te stellen en in die optiek eens naast de andere kunstvormen te leggen. De huidige herwonnen belangstelling voor ons groene patrimonium wijst al op dit nieuwe bewustzijn, en die bewustwording moet aangemoedigd worden. De historische tuinen lijden inderdaad onder de fragiliteit van hun materialen. Er zorg voor dragen is daarom ook van kapitaal belang als we ons regionaal, historisch patrimonium willen bewaren, en wij ons steentje willen bijdragen om deze beleving, dit esthetisch genieten en de diepe indruk die een dergelijke entourage op iemand maakt, zo lang mogelijk willen behouden. Het voorbeeld van het park Pinon, dat een halve eeuw geleden nog een ruïne was, is vandaag, door deze aanpak, levendiger dan ooit. Het beste bewijs dat passie «werkt»! |